Talentherkenning en -ontwikkeling bij KNGU
31 July 2010
BEEKBERGEN - GymPOWER sprak tegen het eind van het afgelopen seizoen met topsportmanager Hans Gootjes. Het gesprek ging over ‘talentherkenning en -ontwikkeling bij de KNGU’ in de turnsport, en de rol van de “turn CTO’s” en het NTTC daarin. Een eerste interview met de beleidsmakers bij de nationale gymnastiekunie over de beslissingen die genomen worden in Beekbergen over zaken die de gymsportfan bezig houdt.
Momenteel telt Nederland vier nationale Centra voor Topsport en Onderwijs (CTO): in Amsterdam, Papendal, Heerenveen en Eindhoven. Met het CTO Eindhoven is afgesproken dat zij ook in Den Bosch (als een soort van dependance) de KNGU topsportprogramma’s faciliteren. Daarnaast is er in Almelo (nu feitelijk nog Oldenzaal) het Nationaal Turn Talenten Centrum (NTTC) van de KNGU gevestigd.
“Een CTO moet je zien als een lokaal samenwerkingsverband waarin diverse partijen (o.a. sportmedisch en ognderwijs) samenwerken om wonen, trainen en studeren op één plek mogelijk te maken. Hierdoor wordt geen tijd verspild aan reizen en worden de voorzieningen en begeleidingsfaciliteiten dichtbij de dagelijkse trainingssituatie georganiseerd. De CTO’s worden wel financieel gesteund door NOC*NSF, maar niet door de KNGU. Er komen middelen en faciliteiten vanuit het CTO naar de KNGU ter ondersteuning van de topsportprogramma’s turnen heren, turnen dames en trampolinespringen.”
Sporters van de CTO’s lijken meer voorrang te krijgen. Moet niet juist de sporter beloond worden in plaats van het steunpunt?
“Daar ben ik het mee eens. Maar op dit moment is dat niet anders. In feite zijn er 3 categorieën sporters: topsporters die deel uitmaken van de KNGU-selectie en trainen op één van de beide KNGU-steunpunten; topsporters die lid zijn van de KNGU-selectie, maar elders trainen (bijvoorbeeld Zoetermeer of Zwijndrecht); topsporters die (nog) geen deel uitmaken van de KNGU-selectie, maar die zich wel kunnen plaatsen voor de trajectselectie van de KNGU die zich voorbereidt op het EK of WK. Afhankelijk van de categorie waartoe je behoort, krijg je veel, minder of geen faciliteiten. Het zou ideaal zijn, ook qua reisafstand voor de sporters, als er regionale centra zouden zijn voor talentontwikkeling. Bij de turnsport, maar ook bij sporten als zwemmen heb je te maken met zeer jonge talenten. Die moeten eigenlijk uit huis om zich bij een CTO verder te ontwikkelen. We zien dit heel sterk gebeuren in Almelo (bij Bosan TON). Eigenlijk zouden we daarom veel meer regionale centra willen opzetten, maar er is niet één tak van sport, behalve voetbal, waarin dat financieel haalbaar is. We zouden graag naar een geografisch optimale situatie willen, dat er landelijk dekkend aantal NTO’s zijn voor turnen. We moeten het echter doen met de middelen die we hebben.”
Het ziet ernaar uit dat de ontwikkeling van LOOT-scholen ten koste van de ontwikkeling van CTO’s gaat. Het lijkt alsof de nationale sportkoepel zich financieel lijkt terug te trekken.
“Dat idee klopt niet. Het NOC*NSF is zich niet financieel aan het terugtrekken. Een CTO komt mede tot stand door financiering van het NOC*NSF. De regeling voor LOOT-scholen staat los van de ontwikkeling van CTO’s. De sporters maken deel uit van het KNGU-topsportprogramma dat plaatsvindt in een CTO-omgeving; voor de KNGU zijn dit Heerenveen en Den Bosch (als onderdeel van het CTO Eindhoven).”
Er zijn verenigingen die werken met goede trainers die talenten heel goed kunnen opleiden, maar niet over financiële steun vanuit de KNGU en NOC*NSF beschikken. Deze clubs zijn dus zelf bereid en in staat om te investeren in trainers en topsport/talenten.
“De KNGU is op dit moment bezig om bij het turnen te kijken of we een soort kwaliteitskeurmerk kunnen ontwikkelen voor de clubs die goede opleidingen bieden en topsporters afleveren. Daarmee kunnen deze clubs zich positief onderscheiden. We zijn deze gedachte nog aan het uitwerken. Gerrit Beltman zou vanuit zijn rol als Landelijk Talent Coördinator (LTC) hier misschien iets in kunnen oppakken, want vanuit die functie bevordert hij kennisdeling. Door het opzetten van een structuur van centrale trainingen voor de verschillende nationale selecties, ontstaat er het komend seizoen in ieder geval één mogelijkheid waar clubtrainers zich in de praktijk, omringd door trainers met meer ervaring en kennis, verder kunnen bekwamen in hun vak c.q. hobby.”
Waarom wordt er eigenlijk niet voortgebouwd op de talentherkenningstesten die er al zijn bij het damesturnen?
“Talentherkenning en -ontwikkeling staat in Nederland echt nog in de kinderschoenen. De KNGU heeft zojuist in samenwerking met de Universiteit van Groningen een onderzoek gestart naar de mogelijkheid om een goede talentherkenningstest te ontwikkelen. Hier moeten meetbare criteria voor zijn vast te stellen. Tot nu toe werken we bij de jongens voornamelijk met een ‘kunstjestest’, die meet hoeveel techniek een turner beheerst. Helaas blijft het opstarten van het eigenlijke onderzoek een beetje hangen, omdat de financiering van het onderzoek (met het Ministerie van VWS als belangrijkste beoogde financier) al een aantal maanden vastzit als gevolg van een ‘subsidiestop’ bij het Ministerie.”
Het Olympisch Netwerk ontvangt van het NOC*NSF geld om sporttalenten uit bijvoorbeeld een talentendivisie financieel te ondersteunen, maar de Bond moet deze talenten aanmelden bij het Olympisch Netwerk.
“We hebben gesprekken gevoerd met NOC*NSF, deze gesprekken gingen over de talenten en hoe deze verder ondersteund kunnen worden. Het NOC*NSF kent verschillende criteria wat betreft topsporters en talenten, internationale en nationale beloftes. We hebben daarom vijf turnsters in de Oranje Jong Talent selectie opgenomen. We richten ons nu op de Olympische Spelen in 2012 en 2016, over twee jaar zullen we ons ook gaan richten op voorbereidingen voor de OS in 2020.”
Talentontwikkeling lijkt bij de KNGU te beginnen bij de junioren, terwijl de jeugd van 10-11-12 jaar wel onder de criteria van ‘Belofte’ valt bij het Olympisch Netwerk.
“Het gaat hier inderdaad nog niet om talenten van die leeftijd, daar kan Gerrit Beltman als Landelijk Talent Coördinator (LTC), misschien een rol in gaan vervullen. Het al eerder aangehaalde initiatief om de Oranje Jong Talent selectie met ingang van het komend seizoen volop te laten draaien, is een eerste aanzet om te komen tot een gestructureerde langjarige talentscouting. Turnen is een sport waar de impact van bepaalde veranderingen pas na verloop van jaren zichtbaar wordt; het gaat dus nog even duren voordat dit systeem volledig operationeel is.”
De focus bij de KNGU nu ligt op de Olympische Spelen van 2012 en 2016 en over twee jaar ook die van 2020, waarbij de talentontwikkeling zich lijkt te richten op het geboortejaar tot en met 1996. Sla je niet een hele Olympische generatie over zo?
“De vaststelling dat er de laatste jaren te weinig werk gemaakt is van het opbouwen en handhaven van een goede structuur voor het waarborgen van afdoende aantallen turnsters in de verschillende nationale selecties, is gerechtvaardigd. Met het aanstellen van een LTC in de persoon van Gerrit Beltman wordt een begin gemaakt van het vast verankeren van het werkveld “talentidentificatie en –ontwikkeling” in het beleid van de KNGU.
De eerste fase van de werkzaamheden van de LTC op dit vlak zullen zich concentreren op het opzetten van een gedegen structuur van nationale selecties waarbij de wijze van instroom van gekwalificeerde talenten een eerste uitdaging is. Hierbij wordt getracht twee vliegen in 1 klap te slaan. Door aan de ene kant zich te richten op het inbrengen van wetenschappelijke informatie omtrent het identificeren van talentvolle bewegers, en aan de andere kant de focus te leggen op een versnelde instroom van turnsters die zich op basis van bewezen kwaliteit in training en wedstrijd als “talentvol” laten benoemen. Hierdoor zal de in de afgelopen jaren opgelopen achterstand wat betreft de scouting en opleiding van turnsters uit bepaalde jaargangen niet volledig worden weggewerkt, het is wel een eerste stap op weg naar.”
Stof tot nadenken…
Info © GymPOWER

