Talentherkenning en -ontwikkeling bij KNGU
31 July 2010
BEEKBERGEN - GymPOWER sprak tegen het eind van het afgelopen seizoen met topsportmanager Hans Gootjes , en het gesprek kwam op het thema ’talentherkenning en -ontwikkeling bij de KNGU’ in de turnsport, en de rol van de “turn CTO’s” en het NTTC daarin. Een eerste interview met de beleidsmakers bij de nationale gymnastiekunie over de beslissingen die genomen worden in Beekbergen over zaken die de gymsportfan bezig houdt. We wilden eens zelf maar vragen en horen hoe het zit en wat de uitleg is.
Momenteel telt Nederland vier nationale Centra voor Topsport en Onderwijs (CTO): in Amsterdam, Papendal, Heerenveen en Eindhoven. Met het CTO Eindhoven is afgesproken dat zij ook in Den Bosch (als een soort van dependance) de KNGU topsportprogramma’s faciliteren. Daarnaast is er in Almelo (nu feitelijk nog Oldenzaal) het Nationaal Turn Talenten Centrum (NTTC) van de KNGU gevestigd.
“Een CTO moet je zien als een lokaal samenwerkingsverband waarin diverse partijen (o.a. sportmedisch en ognderwijs) samenwerken om wonen, trainen en studeren op één plek mogelijk te maken. Hierdoor wordt geen tijd verspild aan reizen en worden de voorzieningen en begeleidingsfaciliteiten dichtbij de dagelijkse trainingssituatie georganiseerd. De CTO’s worden wel financieel gesteund door NOC*NSF, maar niet door de KNGU. Er komen middelen en faciliteiten vanuit het CTO naar de KNGU ter ondersteuning van de topsportprogramma’s turnen heren, turnen dames en trampolinespringen.”
Sporters van de CTO’s lijken meer voorrang te krijgen. Moet niet juist de sporter beloond worden in plaats van het steunpunt?
“Daar ben ik het mee eens. Maar op dit moment is dat niet anders. In feite zijn er 3 categorieën sporters: topsporters die deel uitmaken van de KNGU-selectie en trainen op één van de beide KNGU-steunpunten; topsporters die lid zijn van de KNGU-selectie, maar elders trainen (bijvoorbeeld Zoetermeer of Zwijndrecht); topsporters die (nog) geen deel uitmaken van de KNGU-selectie, maar die zich wel kunnen plaatsen voor de trajectselectie van de KNGU die zich voorbereidt op het EK of WK. Afhankelijk van de categorie waartoe je behoort, krijg je veel, minder of geen faciliteiten. Het zou ideaal zijn, ook qua reisafstand voor de sporters, als er regionale centra zouden zijn voor talentontwikkeling. Bij de turnsport, maar ook bij sporten als zwemmen heb je te maken met zeer jonge talenten. Die moeten eigenlijk uit huis om zich bij een CTO verder te ontwikkelen. We zien dit heel sterk gebeuren in Almelo (bij Bosan TON). Eigenlijk zouden we daarom veel meer regionale centra willen opzetten, maar er is niet één tak van sport, behalve voetbal, waarin dat financieel haalbaar is. We zouden graag naar een geografisch optimale situatie willen, dat er landelijk dekkend aantal NTO’s zijn voor turnen. We moeten het echter doen met de middelen die we hebben.”
Het ziet ernaar uit dat de ontwikkeling van LOOT-scholen ten koste van de ontwikkeling van CTO’s gaat. Het lijkt alsof de nationale sportkoepel zich financieel lijkt terug te trekken.
“Dat idee klopt niet. Het NOC*NSF is zich niet financieel aan het terugtrekken. Een CTO komt mede tot stand door financiering van het NOC*NSF. De regeling voor LOOT-scholen staat los van de ontwikkeling van CTO’s. De sporters maken deel uit van het KNGU-topsportprogramma dat plaatsvindt in een CTO-omgeving; voor de KNGU zijn dit Heerenveen en Den Bosch (als onderdeel van het CTO Eindhoven).”
Er zijn verenigingen die werken met goede trainers die talenten heel goed kunnen opleiden, maar niet over financiële steun vanuit de KNGU en NOC*NSF beschikken. Deze clubs zijn dus zelf bereid en in staat om te investeren in trainers en topsport/talenten.
“De KNGU is op dit moment bezig om bij het turnen te kijken of we een soort kwaliteitskeurmerk kunnen ontwikkelen voor de clubs die goede opleidingen bieden en topsporters afleveren. Daarmee kunnen deze clubs zich positief onderscheiden. We zijn deze gedachte nog aan het uitwerken. Gerrit Beltman zou vanuit zijn rol als Landelijk Talent Coördinator (LTC) hier misschien iets in kunnen oppakken, want vanuit die functie bevordert hij kennisdeling. Door het opzetten van een structuur van centrale trainingen voor de verschillende nationale selecties, ontstaat er het komend seizoen in ieder geval één mogelijkheid waar clubtrainers zich in de praktijk, omringd door trainers met meer ervaring en kennis, verder kunnen bekwamen in hun vak c.q. hobby.”
Waarom wordt er eigenlijk niet voortgebouwd op de talentherkenningstesten die er al zijn bij het damesturnen?
“Talentherkenning en -ontwikkeling staat in Nederland echt nog in de kinderschoenen. De KNGU heeft zojuist in samenwerking met de Universiteit van Groningen een onderzoek gestart naar de mogelijkheid om een goede talentherkenningstest te ontwikkelen. Hier moeten meetbare criteria voor zijn vast te stellen. Tot nu toe werken we bij de jongens voornamelijk met een ‘kunstjestest’, die meet hoeveel techniek een turner beheerst. Helaas blijft het opstarten van het eigenlijke onderzoek een beetje hangen, omdat de financiering van het onderzoek (met het Ministerie van VWS als belangrijkste beoogde financier) al een aantal maanden vastzit als gevolg van een ‘subsidiestop’ bij het Ministerie.”
Het Olympisch Netwerk ontvangt van het NOC*NSF geld om sporttalenten uit bijvoorbeeld een talentendivisie financieel te ondersteunen, maar de Bond moet deze talenten aanmelden bij het Olympisch Netwerk.
“We hebben gesprekken gevoerd met NOC*NSF, deze gesprekken gingen over de talenten en hoe deze verder ondersteund kunnen worden. Het NOC*NSF kent verschillende criteria wat betreft topsporters en talenten, internationale en nationale beloftes. We hebben daarom vijf turnsters in de Oranje Jong Talent selectie opgenomen. We richten ons nu op de Olympische Spelen in 2012 en 2016, over twee jaar zullen we ons ook gaan richten op voorbereidingen voor de OS in 2020.”
Talentontwikkeling lijkt bij de KNGU te beginnen bij de junioren, terwijl de jeugd van 10-11-12 jaar wel onder de criteria van ‘Belofte’ valt bij het Olympisch Netwerk.
“Het gaat hier inderdaad nog niet om talenten van die leeftijd, daar kan Gerrit Beltman als Landelijk Talent Coördinator (LTC), misschien een rol in gaan vervullen. Het al eerder aangehaalde initiatief om de Oranje Jong Talent selectie met ingang van het komend seizoen volop te laten draaien, is een eerste aanzet om te komen tot een gestructureerde langjarige talentscouting. Turnen is een sport waar de impact van bepaalde veranderingen pas na verloop van jaren zichtbaar wordt; het gaat dus nog even duren voordat dit systeem volledig operationeel is.”
De focus bij de KNGU nu ligt op de Olympische Spelen van 2012 en 2016 en over twee jaar ook die van 2020, waarbij de talentontwikkeling zich lijkt te richten op het geboortejaar tot en met 1996. Sla je niet een hele Olympische generatie over zo?
“De vaststelling dat er de laatste jaren te weinig werk gemaakt is van het opbouwen en handhaven van een goede structuur voor het waarborgen van afdoende aantallen turnsters in de verschillende nationale selecties, is gerechtvaardigd. Met het aanstellen van een LTC in de persoon van Gerrit Beltman wordt een begin gemaakt van het vast verankeren van het werkveld “talentidentificatie en –ontwikkeling” in het beleid van de KNGU.
De eerste fase van de werkzaamheden van de LTC op dit vlak zullen zich concentreren op het opzetten van een gedegen structuur van nationale selecties waarbij de wijze van instroom van gekwalificeerde talenten een eerste uitdaging is. Hierbij wordt getracht twee vliegen in 1 klap te slaan. Door aan de ene kant zich te richten op het inbrengen van wetenschappelijke informatie omtrent het identificeren van talentvolle bewegers, en aan de andere kant de focus te leggen op een versnelde instroom van turnsters die zich op basis van bewezen kwaliteit in training en wedstrijd als “talentvol” laten benoemen. Hierdoor zal de in de afgelopen jaren opgelopen achterstand wat betreft de scouting en opleiding van turnsters uit bepaalde jaargangen niet volledig worden weggewerkt, het is wel een eerste stap op weg naar.”
Stof tot nadenken…
Info © GymPOWER Lees verder
Speerstra helpt Iran naar WK in Ahoy
29 June 2010
HEERENVEEN – Bij het NK turnen in Heerenveen liet de ex-coach van TSH, Gerard Speerstra, weten dat hij tot aan het WK turnen 2010 in Rotterdam als adviseur van de Iraanse turnploeg zal optreden. GymPOWERverslaggeefsters Lisa Deen en Anouk Wallenburg spraken hem in het sportbolwerk waar hij jaren de scepter zwaaide in de turnarena en Epke Zonderland een wereldtopper maakte, maar nu slechts een gewone bezoeker was.
Speerstra zal tot het WK turnen in Rotterdam drie of vier keer naar Iran afreizen. Elke keer is dat voor een 10-daags verblijf. De turncoach kwam in contact met de Iraanse ploeg toen zij op trainingsstage waren in Heerenveen. “Ik was toen net ontslagen en was dus vrij. Ze vroegen me of ik wilde meehelpen met de begeleiding van de ploeg.”
De ploeg houdt echter wel de eigen trainersstaf. De Iraanse turnploeg beschikt volgens Speerstra over een redelijke turnbasis, maar mist een aantal materialen zoals bijvoorbeeld schroefgordels. “Die neem ik mee vanuit Nederland. Daarnaast neem ik ook wat turnkleding mee voor de turners. Wel beschikken ze in Iran over de juiste FIG toestellen. Die hebben ze overgehouden aan de World Cup die ze daar hebben georganiseerd.” De meeste turners in Iran kunnen volgens Speerstra een gemiddelde van 84 punten bij elkaar turnen op de meerkamp.
Gerard Speerstra houdt sinds zijn ontslag nog altijd de deur op een kier voor de KNGU, al blijft zijn mening hetzelfde. In zijn tijd als coach van onder andere Epke Zonderland was Speerstra ook degene die beleid maakte. “Ik was bezig met de opleidingsstructuren en het beleid.” Wat Speerstra graag zou willen zien is dat de ploegen dichter bij elkaar worden gebracht, een samenwerking tussen de verschillende verenigingen. “Af en toe gezamenlijke trainingen waarna vervolgens weer elke turner naar zijn thuisbasis gaat.”
Na zijn ontslag kwamen bijna alle turners van TSH bij hem thuis op bezoek. Bijna, want Epke Zonderland liet het afweten. Dat ervaart Speerstra als ‘een beetje jammer’. Gerard was namelijk wel degene die een behoorlijk steentje heeft bijgedragen aan de carrière van Zonderland. Samen hebben ze een Olympische droom werkelijkheid zien worden.
Tot aan het WK zal Speerstra dus de turners en trainingsstaf van Iran gaan ondersteunen, maar wat is hij daarna van plan? “Ik wil mijn bedrijf (Hesters voor de turnpakjes en Speerstra Gymnastics voor de turntoestellen) verder gaan ontwikkelen. Ik verkoop turnpakjes en sinds kort ook toestellen van Gymnova. Verder zou ik graag andere (Nederlandse) coaches willen ondersteunen in hun ontwikkeling.”
Info/Interview © GymPOWER; Foto © Tanja Steenstra: Iraans turnteam op stage in Turncentrum Sportstad Heerenveen
Wie is Guusje van Geel eigenlijk…
15 June 2010

ALMELO/NIJMEGEN – Het 11-jarig toptalent Guusje van Geel kwam op het Bondskampioenschap 2010 voor de laatste keer in de verplichte oefenstof in actie. Samen met haar blikken we terug op de afgelopen jaren. Wie is Guusje eigenlijk en wat kunnen we van dit turnwonder verwachten in de toekomst? Pascale Pille sprak namens GymPOWER met de turnster uit Nijmegen vlak na de nationale titelstrijd.
Foto© Hyves Guusje van Geel: Guusje van Geel in actie in de turnhal van GTV de Hazenkamp, onder toeziend oog van trainster Elvira Becks, Olympier in 1992 en hét Nederlands turnboegbeeld bij de dames van de jaren ’90 .
Allereerst feliciteren we Guusje met haar zilveren medaille op het bondskampioenschap van 2010! In drie jaar tijd 2e, 1e en 2e van Nederland worden is natuurlijk te gek! Samen met Dana de Groot bezette zij de afgelopen jaren de hoogste treden van het erepodium. De dames lijken erg aan elkaar gewaagd.
Kun je iets over jezelf vertellen?
Ik ben Guusje van Geel ik ben 11 jaar. Ik heb een broer van 13 Luuk, mijn mam Esther en pap Jan en mijn hondje Pip. Ik train bij GTV de Hazenkamp in Nijmegen in het topsport groepje 21 uur in de week en vind het erg leuk. Toen ik 7 jaar was ben ik mee gaan trainen in het topsport groepje. Ik was de jongste en liep dan tussen Verona van de Leur, Suzanne Harmes en Loes Linders. Wauw dat was helemaal super! Ik keek mijn ogen uit, wat zij allemaal konden dat wilde ik ook wel.
Hoe gingen de trainingen in de week voordat je het NK had?
Best wel goed ik had die week voor het NK een trainingsstage gehad en kreeg daarvoor ook een paar dagen vrij van school. We doen dan veel wedstrijdrondjes enzo, en aan de laatste dingetjes op netheid werken. Ik heb leuke meisjes in mijn groepje zitten van turnen en ook al is het soms wel zwaar we hebben ook veel lol samen en heb fijne trainers.
Wat verwachtte je van de wedstrijd voordat je begon?
Ik was niet zo zenuwachtig ik dacht ik ga gewoon mijn best doen en doen wat ik bij de training geleerd heb. We reden met mijn tante mee naar de wedstrijd en die zat alleen maar grapjes te maken in de auto, dus ik had geen tijd om zenuwachtig te zijn. We hebben alleen maar gelachen, want het is een beetje een maffe tante ![]()
Je begon op brug. Hoe vind je het normaal om op brug te moeten beginnen?
Dat maakt niet zoveel uit. Alleen jammer dat mijn eerste toestel op het NK niet helemaal ging zo als het moest. Ik vind het altijd wel fijn als balk geweest is, want dat is altijd weer spannend. Verder maakt het niet uit waar we beginnen.
Hoe voelde je je nadat je klaar was met je brugoefening?
Ja, ik baalde wel! Drie prachtige kiephandstanden, dat was niet helemaal de bedoeling hihi! Maar het kost veel puntjes en niet echt een goede start dus. Mijn trainster moest zelfs een beetje lachen.
Waarom hebben jullie deze wedstrijd besloten om onderdelen niet te doen die je in het begin wel deed?
Bijvoorbeeld overvliegen heb ik wel en paar keer gedaan en kan hem ook wel, maar ben ook met de training een keer met mijn kin op de legger gekomen. Dat deed heel erg zeer en de trainster vond dat we eerst dan maar beter op de techniek moeten gaan trainen.
Balk, Sprong en Vloer gingen heel erg goed! Had je na brug het gevoel dat je dat extra goed wilde doen?
Ik wil het altijd goed doen en als je eerste toestel niet goed ging dan moet je daar bij het tweede toestel niet meer aan denken en weer gewoon heel erg je best doen bij de volgende oefening.
Hoe voelde het om uiteindelijk 2e van heel Nederland te worden?
Echt hartstikke leuk hoor!
Met welke nieuwe onderdelen voor volgend seizoen ben je tijdens de training bezig?
Dubbel salto’ s en op brug reus voorover en wisseltje.
Heb je al een nieuwe vloeroefening voor volgend seizoen?
Iemand van de Hazenkamp maakt speciaal voor elk meisje van de topsport haar eigen vloermuziekje in overleg met Elvira [hoofdtrainster Elvira Becks] en mij natuurlijk. Elvira maakt daar dan de vloeroefening op. Ik vind dat echt super leuk, want ze kan vet goed dansen.
Wat is je eerstvolgende wedstrijd?
Ik denk in maart pas ofzo ik weet dat niet zeker.
Wat wil je later nog bereiken met turnen?
Ik wil wel nog heeeeeeeel veel leren en een hele goede turnster worden. Ook lijkt het me super om een keer mee te kunnen trainen met het Amerikaanse team ![]()
Bron: GymPOWER/Pascale Pille
Turntweeling voorspelt 2x WK-plakken Oranje
28 May 2010
ARNHEM – Eén van de opmerkelijke dingen uit de Nederlandse turnsport is het grote aantal turnende zussen en broers, en met name tweelingen. Frappant genoeg en niet vanzelfsprekend, vaak op hetzelfde niveau. In zijn blog op de hyve van het Sportcentrum Papendal publiceert turnfan Sem Lapian een interview met de turnende tweeling Daphne en Rosaly Kolthof uit Neede, die bij gymnastiekvereniging Ypsilon Doetinchem trainen en uitkomen op niveau 3 van de 1e Divisie. De dames blijken heel goed nagedacht te hebben over hun passie, en wagen zich zelfs aan een eerste prognose voor Oranje op òns WK turnen 2010 in Ahoy Rotterdam.
Daphne en Rosaly werden tijdens het NK turnen 2010 (in divisie 1 niveau 3 officieel: het Bondskampioenschap van de KNGU) respectievelijk 14e en 16e in de meerkamp. Daphne scoorde het beste op sprong (6e met 12,950 pt) en Rosaly op balk (4e met 11,600 pt).
De zussen vertellen in het interview met Sem wanneer, hoe lang en waarom ze op turnen zitten, en wat hun plannen met school en sport. Sem vraagt ze ook naar hoe het is om als tweeling dezelfde sport te beoefenen. Een greep uit het interview:
Concurreren jullie ook vaak met mekaar wie de beste is of is dat onbelangrijk voor jullie?
“Nee, dat doen we niet, dat is niet belangrijk! We focussen ons op de wedstrijd om daar goed ons best te doen èn plezier te hebben!”
Wat willen jullie eigenlijk met het topturnen bereiken en gaan jullie daar later verder in?
“Dit is voor ons geen topturnen meer, dat hebben we twee jaar gedaan bij Bosan TON in Oldenzaal waar we veel uren trainden! We willen blijven turnen als het allemaal te combineren is, maar of we later er iets mee gaan doen dat weten we nog niet.”
Vinden jullie dat de turnsport goed gepromoot wordt en ook veel op TV komt?
“We vinden dat de turnsport negatief gepromoot wordt, vooral door de topsport: Ruzies, doping, ontslagen en dat zie je vaak op TV. Een enkele keer positief door de winst van een medaille!”
Nederland is tegenwoordig goed vertegenwoordigd met de turnsport, hoe komt dat eigenlijk?
“Eigenlijk weten wij dat niet… maar [we denken, dat] dat komt door betere begeleiding, geld, sponsors en trainers.”
Zijn jullie ook bij het WK Turnen in Rotterdam en hoeveel medailles denken jullie voor ons landje?
“Ja, we zijn er wel bij het damesturnen en winnen denk ik 2 medailles!”
Info: Blog Sem Lapian op hyve Sportcentrum Papendal Arnhem
Qua teamvorming nog een wereld te winnen
13 April 2010
BEEKBERGEN/ROTTERDAM – Hans Gootjes, de topsportmanager van de Koninklijke Nederlandse Gymnastiek Unie (KNGU), heeft zich in een exclusief interview met verslaggevers van GymPOWER uitgelaten over de selectieprocedures voor EK’s en WK’s die de KNGU momenteel hanteert. Gootjes, wiens tweede internetstartpagina de website van GymPOWER is, vertelde aan onze verslaggevers Anouk Wallenburg, Lisa Deen en Bettie Rombouts open over zijn visie op teamwork en het nieuwe selectiebeleid van de nationale turnbond.
Wat heeft u voordat u bij de KNGU kwam werken gedaan?
Ik kom zelf uit een teamsport, namelijk basketbal Als sporter heb ik voor Jong Oranje gespeeld. Na mijn studie bewegingswetenschappen ben ik werkzaam geweest bij NOC*NSF, de basketbalbond NBB, en de schaatsbond KNSB.
Wat heeft u doen besluiten om te solliciteren op de functie topsportmanager bij de KNGU?
Ik heb de turnsport altijd vanaf de zijlijn gevolgd als één van de mooiste en meest populaire (kijk)sporten In mijn ogen viel er een wereld te winnen. Vooral op het gebied van teamvorming. Nederland oogde niet als een echt team zoals bijvoorbeeld Amerika. En dat zou wel moeten. Vaak schudden de sporters elkaar op Schiphol voor het eerst de hand en vanaf dat moment pas als ‘Nederland’ op stap gingen; Juist in de voorbereiding op een wedstrijd moet al als team gewerkt worden.. Daar zag ik veel verbeterpunten. Maar die zag ik ook op het gebied van presentatie en uitstraling (zowel voor het team als voor individuele sporters).
Maar u komt niet uit de turnwereld….
Nee, en ik denk dat dat een voordeel kan zijn. Ik kende bijna niemand binnen de turnwereld. Dat zorgt ervoor dat ik alles objectief kan bekijken en neutraal kan benaderen.. Ook vraag ik veel aan coaches om op die manier zo goed mogelijk mijn keuzes te kunnen maken. Reacties en adviezen van coaches maken ook onderdeel uit van het selectietraject van de teams bij Turnen Dames (TD), Turnen Heren (TH) en Trampolinespringen (TS). Ik heb me altijd afgevraagd waarom het vormen van een team in een tak van sport als turnen zo moeilijk is. Ik wilde dat graag verbeteren.. Als topsportmanager wil ik ervoor zorgen dat er een goede samenwerking is tussen sporters en coaches (onderling) en met de overige leden van het begeleidingsteam.. Het is plezierig om in de praktijk te zien dat die aanpak werkt
Zijn er daarom ook nieuwe selectieprocedures waarbij er meer als team wordt getraind?
Ja, dat klopt. Ik vind het belangrijk dat er een hecht team wordt gevormd, zeker in de aanloop naar het EK en WK van dit jaar waarin teamwedstrijden op het programma staan. Dat doen we bijvoorbeeld in de vorm van stages en trainingsweekenden waarin de geselecteerde sporters samen trainen en deelnemen aan andere activiteiten; denk aan mediatraining, een voorlichting over voeding of een bijeenkomst over mentale begeleiding. Ook zie je de voordelen van het werken met verschillende trainers in de voorbereidingsperiode voor een evenement. In het team voeg je zo specifieke deskundigheid en kennis van de verschillende trainers samen en kunnen de sporters zich nog meer aan elkaar optrekken. Daarmee kun je zowel de coaches als de sporters naar een hoger niveau tillen..
Toch zijn die kwalificatietrajecten niet helemaal duidelijk voor iedereen. Hoe werkt het nou eigenlijk?
Een team samenstellen is eigenlijk een vorm van kiezen. In theorie heb je daar drie mogelijke modellen voor. 1. Het Amerikaanse ‘trialsysteem’ waarin op één moment alles moet lukken. Ben je geblesseerd, dan heb je pech. 2. In het tweede model gaat het om een bondscoach die bepaalt wie er in het team komt; zoals de ‘Bert van Marwijk manier’ bij het Oranje voetbalelftal. Maar volgens mij werkt dat niet in sporten als turnen of schaatsen. Het derde systeem is het selecteren op basis van een combinatie van objectieve criteria (zoals uitslagen van wedstrijden) en subjectieve gegevens; die laatste methode gebruiken we in het turnen en trampolinespringen. Sinds dit jaar selecteren we mede op basis van de resultaten van de zgn. Open Kwalificatie een trajectselectie waaruit uiteindelijk het definitieve team wordt samengesteld voor een (J)EK of WK.
Waarom werkt ‘de Bert van Marwijk manier’ niet in een sport als turnen?
Als we al zouden kiezen voor dat model, dan veronderstelt dat het kunnen beschikken over een bondscoach die volledig boven alle partijen staat, gezag heeft en het onvoorwaardelijke respect en vertrouwen geniet van sporters en coaches.In Nederland hebben we een groot aantal goede coaches, In deze Olympische cyclus kiest de KNGU voor de variant met een team van trainers.
U kiest dus voor selectie op basis van objectieve en overige gegevens. Wat moeten we ons daarbij voorstellen?
Allereerst wordt er gekeken naar de objectieve gegevens, Onder objectief wordt verstaan: meetbaar door middel van cijfers dan wel plaatsingscijfers. Voorbeelden van objectieve selectiecriteria zijn het resultaat van de Open Kwalificatie, de resultaten van modelwedstrijden tijdens de stages, de resultaten van interlandwedstrijden, behaalde D-scores (moeilijkheidswaarde van de oefening) en E-scores (voor uitvoering). Daarnaast betrekken we in de kwalificatieprocedure een aantal subjectieve criteria, zoals de potentiële D- en E-score, de stabiliteit, de fysieke en mentale gesteldheid, de inzetbaarheid op de verschillende toestellen, de teamrol (bijdrage aan het groepsproces) en de topsportattitude in en buiten de training. Mijn rol is vooral om de kwaliteit van het proces te toetsen. Ik kijk of de regels uit de procedure gevolgd zijn, of de afspraken uit de procedure nageleefd zijn en of er goede argumenten zijn om bepaalde sporters wel of niet in het traject of het team op te nemen. De kwalificatieprocedure wordt daarbij ruim van tevoren bekendgemaakt en gepubliceerd op de website van de KNGU, zodat deze voor iedereen duidelijk is.
Selecteert u het (traject)team zelf of doet u dat in overleg met bijvoorbeeld trainers?
Natuurlijk heb ik contact met de verschillende trainers, maar de trajectselectie en in een later stadium ook het definitieve team stel ik uiteindelijk vast na advies van de leden van een selectiecommissie. Bij de senioren dames bestaat die selectiecommissie uit uit Gerben Wiersma, Vincent Wevers en Aukje Molema. Bij de junioren dames zitten Gerrit Beltman, Claudia Werkhoven en Patrick Kiens in de selectiecommissie.
Hoe zit het met de andere trainers dan?
Na de Open Kwalificatie gaan we om de tafel met álle betrokken trainers. Daarmee bedoel ik de trainers die een turner of turnster hebben die deelneemt aan de kwalificatiewedstrijd. In dat gesprek worden de prestaties van alle sporters beschouwd en komt op die manier meer informatie naar voren dan alleen op basis van de einduitslag. Als een turner of turnster bijvoorbeeld niet zo goed presteerde op de wedstrijd maar doorgaans in de trainingen wel, dan wordt dat vermeld. Ook als iemand al wat langer kampt met bijvoorbeeld een blessure, dan geven de trainers dat aan in die bespreking. Niet alleen de ‘eigen’ sporter is onderwerp van gesprek, maar er wordt ook feedback gegeven op andere turn(st)ers..
Maar in dit overleg wordt dus niet het team bekend gemaakt…
Nee, dat gebeurt pas op een later moment. Eerst maak ik, in samenspraak met de selectiecommissie, zo snel mogelijk na de Open Kwalificatie de trajectselectie bekend. Vervolgens gaan de turners of turnsters op stage, volgen ze centrale trainingen of nemen ze deel aan (internationale) wedstrijden. Tijdens die periode hebben de trainers ook weer een overleg met mij, op dezelfde manier als eerder genoemd na afloop van de open kwalificatiewedstrijd. Vervolgens maak ik na overleg met en advies van de selectiecommissie het definitieve team bekend. Uiteindelijk ben ik dus verantwoordelijk voor de keuze van het team, maar is de inbreng van de betrokken trainers heel belangrijk.
Waar kijken jullie dan naar bij het selecteren van sporters?
Natuurlijk kijken we allereerst naar de scores die ze hebben neergezet bij de kwalificatie. Maar in een teamwedstrijd zeker ook naar de inzetbaarheid per toestel. Bij de heren hebben we specialisten van wereldniveau als Epke Zonderland, Jeffrey Wammes en Yuri van Gelder. We zetten de potentiële deelnemers en de toestellen in een lijstje. Daarin kruisen we per toestel en per turn(st)er de inzetbaarheid aan met verschillende kleurtjes. Epke krijgt bijvoorbeeld een groen kruisje op zijn beste toestellen rekstok en brug. Bij de dames blijkt na berekening bijvoorbeeld dat het inzetten van Sanne Wevers op balk het Nederlandse team bijna een punt extra oplevert. Dat moeten we dan afwegen tegen een turnster die inzetbaar is op de toestellen waarop Sanne geen specialist is.
En zoiets geeft de doorslag?
Onder andere. Het is natuurlijk belangrijk om te kijken wat het oplevert als je een sporter op een bepaald toestel inzet. Maar stabiliteit is ook van belang, zeker in een 5-3-3 format zoals op het EK waarop alle scores van de 3 sporters per toestel tellen voor het teamresultaat.. We zetten de behaalde scores tijdens de kwalificaties en overige wedstrijden in acht verschillende matrices en bekijken wat dan het beste team is. Maar dat is zeker niet doorslaggevend; we wegen daarnaast ook andere objectieve en subjectieve factoren.
Nog even kort… eerst de open kwalificatie en dan…?
Eerst wordt de open kwalificatie geturnd. Vervolgens is er een nagesprek met álle trainers. Dat gesprek geeft een indicatie, maar is niet doorslaggevend. Na dat gesprek vindt een overleg plaats binnen de selectiecommissie die haar voorkeur bekendmaakt aan de topsportmanager die overigens bij alle genoemde gesprekken (als voorzitter van het overleg en procesbegeleider) aanwezig is. Ik maak uiteindelijk het definitieve (traject)team bekend.
We kunnen ons voorstellen dat niet altijd iedereen het eens is met uw beslissingen…
Dat klopt, maar zolang ik als eindverantwoordelijke voor de selectie onze keuzes kan uitleggen en verantwoorden, dan is dat ‘all in the game’. Topsport is een kwestie van kiezen en er zullen altijd teleurstellingen zijn. Van belang is dat het proces zorgvuldig en integer plaatsvindt. Het is plezierig om te kunnen constateren dat er veel positieve geluiden zijn over de nieuwe aanpak in het algemeen en de samenwerking binnen het (traject)team in het bijzonder. Dat is een bevestiging dat we ook met het nieuwe selectiebeleid op de goede weg zijn en een volgende stap hebben gezet in de professionalisering van het turnen en trampolinespringen. Dat straalt uiteraard ook af op de sporters en de trainers.
Maar eigenlijk is er gewoon geen eerlijk systeem waarbij de ontwikkeling van de sporter centraal staat, want nooit is iedereen het eens….
Dat is onvermijdelijk in onze tak(ken) van sport. Door te werken met een combinatie van objectieve en subjectieve criteria als meest zichtbare uitingen van het nieuwe selectiebeleid, worden de belangen van de sporters juist gediend. Na trajecten voor de EK en de WK worden overigens systematisch geëvalueerd, zodat – waar nodig – altijd bijstellingen kunnen plaatsvinden..
Het valt ons op dat er sporters zijn die buiten de boot vallen door ‘net niet’ klasseringen. Zij krijgen ook geen of nauwelijks gelegenheid om ervaring op te doen tijdens interlands en dergelijke. Hoe zit dat?
Per wedstrijd mogen we maar een beperkt aantal turners of turnsters meenemen. Zo worden tijdens het EK in Birmingham alleen de vijf turn(st)ers in het team geaccrediteerd. De overige sporters doen gedurende het hele voorbereidingstraject veel ervaring op; dat is juist het voordeel van het werken met een trajectselectie ten opzichte van het oude selectiebeleid. Bovendien biedt de huidige manier van selecteren ook duidelijkheid voor sporters die – nadat ze zijn afgevallen uit de trajectselectie of eerder al niet geselecteerd zijn – zich dan kunnen richten op een nieuw doel, bijvoorbeeld de Nederlandse Kampioenschappen trampolinespringen op 12 juni in Aalsmeer of de NK turnen op 19 en 20 juni in Heerenveen
Schorsing Speerstra laatste duwtje voor Loes
29 March 2010
UDEN/NIJMEGEN – Op de site van Loes Linders is een interview te lezen die ze met Henk Stouwdam had en op 23 maart 2010 is gepubliceerd in het NRC. Daarin licht Loes haar besluit toe om definitief te stoppen met turnen, en door te gaan met snow- en wakeboarden, de sport die haar broer Casper beoefent. Loeswerd op het NK snowboarden 2010 tweede. De schorsing van Gerard Speerstra door de KNGU gaf haar het laatste duwtje de turnwereld uit, volgens de voormalige topturnster uit Uden.
“Loes Linders heeft geen verleden met trainer Gerard Speerstra, maar toen ze hoorde van zijn ontslag was haar besluit definitief: ze stopte met turnen. Na een worsteling van een jaar gaf de turnbond (KNGU) haar het beslissende duwtje. „Die maatregel tegen Gerard herinnerde mij er aan, dat de bond er steeds weer in slaagt de sport te verpesten.”
Eigenlijk had Linders haar slechte herinneringen verdrongen. Al kenmerkten conflicten haar loopbaan, ze kon maar geen afscheid nemen van de sport die haar zo dierbaar is. Ze dubde en dubde, maar kwam er niet uit. Op een goed moment dacht ze: “ik ga gewoon weer turnen.” Tot het nieuws over Speerstra haar bereikte. Op dat moment besefte Linders dat de cultuur van naijver nog steeds niet verdwenen is…”
In het interview kijkt Loes terug op haar turncarrière en op de turnsport, en vertelt één en ander wat ze meemaakte en wat ze er van vond. Lees verder op de site van Loes Linders.
Lichelle Wong in International Gymnast
29 March 2010
BEEKBERGEN – In de International Gymnast magazine is een interview met Nederlands meerkampkampioene 2009 Lichelle Wong te lezen. John Crumlish had met Lichelle een interview over haar studie en het turnen in de Verenigde Staten. De foto bij het artikel is van fotograaf Don Liebig. Het interview is vertaald en kan gedownload worden op de site van de KNGU/pagina Productgroep Turnen Dames.
Nadat ze onlangs haar examens voor het lentetrimester van UCLA had afgelegd, zegt Lichelle Wong dat ze zich langzaam aan het aanpassen is aan de eisen van het universiteitsleven in de Verenigde Staten. “Het is nog steeds moeilijk” zegt Wong. “Je moet overal aan wennen. Het is pas mijn tweede semester. Het is nog steeds een beetje vreemd.” Wong heeft steeds vaste bijdrages geleverd aan het UCLA-turnteam, dat bij de topuniversiteitsteams behoort in de National Collegiate Athletic Association (NCAA). Zij en haar teamgenoten bereiden zich voor op hun drie belangrijkste competities van het 2009-2010 NCAA seizoen: de Pacific 10 Conference kampioenschappen op 27 maart 2010, de NCAA regionale kampioenschappen op 10 april 2010 en de NCAA nationale kampioenschappen op 22-24 april 2010.
Bij een competitie, verzorgd door de UCLA tegen California State University-Fullerton and Michigan State University op 14 maart, presteerde Wong goed op alle drie haar onderdelen. Zij scoorde 9.90 punt op de brug ongelijk en 9.85 pnt. bij de vrije oefening.
(De NCAA gebruikt het oude scoresysteem gebaseerd op 10.00 pnt., dat aangepaste moeilijkheidseisen heeft). Wongs hoogste seizoenscores op sprong en balk zijn allebei 9.75 pnt. Hoogtepunten uit Wongs optredens op de competitie van 14 maart waren haar hoge jaegersalto en dubbele salto voorover op brug ongelijk, en een solide dubbele hoeksalto op vloer. Wong zegt, dat ze van plan is haar topvaardigheden tot routines te brengen bij haar voorbereiding voor de Nederlands kampioenschappen deze zomer. Ze hoopt zich te kwalificeren voor het Nederlandse team bij de wereldkampioenschappen in Rotterdam in oktober 2010. Terwijl ze bij UCLA zit, heeft ze haar gymnastische vooruitgang besproken met Gerben Wiersma en Jose v.d. Veen, haar coaches bij TSH Heerenveen.
“Op het ogenblik ben ik alleen dit aan het oefenen” zegt Wong. “We zitten midden in het seizoen en we richten ons op oefeningen. Maar misschien ga ik van de zomer daar moeilijkheid aan toevoegen.
Hoewel Wong vloeiend Engels spreekt, zegt ze dat het aanleren van alledaagse conversatie een uitdaging is. “In het begin was het echt moeilijk voor mij om het [Amerikaanse] Engels goed te spreken” zegt Wong. “Het was niet zo moeilijk om te spreken, maar het was moeilijk om mij zelf goed uit te drukken. Ik wist niet echt hoe ik over alles moest praten, maar het wordt beter.” Een aspect van het Amerikaanse universiteitsleven vergt een grotere aanpassing van Wong. Hoewel ze vloeiend Engels spreekt, zegt ze dat ze vaak zenuwachtig wordt als de professoren zo snel spreken dat ze het niet kan volgen, zoals tijdens haar geschiedenisles in het wintersemester. “De professor praat echt wel langzaam, maar ze gebruikt vaak veel ‘eehhs’, dan moet ik heel erg opletten” zegt Wong. “Als iemand ieder ogenblik ophoudt met praten, is het moeilijk geconcentreerd te blijven”. Wong, die zich net zo makkelijk in het Engels uitdrukt als elke Amerikaan, zegt dat ze soms gefrustreerd is dat ze niet zo snel kan lezen als haar studiegenoten.
“Ik ben er niet zeker van of ik het al door heb” geeft ze toe. “ik kan echt gestrest raken als ik veel moet lezen. Ik raak niet gestrest over rekenen of scheikunde, maar als ik bijvoorbeeld een hoop geschiedenis moet lezen, kan ik echt gestrest raken bij zoveel
informatie. Ik ben niet zo snel met lezen of schrijven als Amerikanen. Als ik samen met iemand anders lees, lezen zij 10 pagina in 10 minuten of zo en ik doe er 15 minuten over.”
Info/Foto: site KNGU/IG Don Liebig
Verslag 3de Jongleerfestival 2010 in Udenhout
16 March 2010
UDENHOUT - Kleine balletjes, grote ballen, kegels, devilsticks, ringen en diabolo’s vlogen op 14 maart 2010 door de lucht tijdens het derde Jongleerfestival in gymzaal de Roomley in Udenhout. Voetballiefhebber Martijn Akkermans (21) en turner Gijs Mallens(20) organiseerden als afstudeerproject het derde Jongleerfestival in samenwerking met gymnastiek vereniging DOS Udenhout. Studiegenoten van het ROC hebben het festival al eens eerder georganiseerd, maar dit keer moest het nog beter worden… Martijn: “We hebben dit keer meer workshops, een speciaal eenwielerparcours en een veldje buiten voor balkunsten. En als klap op de vuurpijl hebben we nog een kampioenschap georganiseerd.”
Kinderen en ouders kunnen in elke hoek van de gymzaal dus hun truckjes laten zien en nieuwe dingen leren. De moeders doen het goed met ouderwetse kaatsballen en de papa’s bij de diabolo’s. De kinderen zijn ze kwijt, zij rennen overal rond en proeven van al het nieuwe. Als ze zelf niet iets nieuws proberen, staan ze met open mond te kijken hoe de professionals het doen. De Nederlands kampioen diabolo geeft een grote show weg, maar ook Bas Oerlemans en organisator Gijs Mallens zijn even op het podium te zien.
De kinderen zitten vol spanning te kijken, wanneer gaat het mis? Voor de kinderen is er echter geen onderscheid tussen de shows van de professionals en die van hun leeftijdsgenoten. Ook tijdens de strijd der diabolo’s zit het 700 koppige publiek vol verwachting te kijken naar het jongtalent uit onder andere Udenhout, Nijmegen en Blaricum. Een echte jury beoordeelt de kunsten. ‘Er zit echt wel wat diabolotalent tussen’ vertelt jurylid Bas Oerlemans. Na ongeveer tien optredens deelt hij enthousiast de eerste prijs uit aan Thijs Simons, die met een grote glimlach zijn prijs in ontvangst neemt. De tweede prijs is voor Michaël Betrian en de derde prijs is voor de elfjarige Jasper Jansen.
‘Voor sommige kinderen is het jongleren iets nieuws, zij gaan nu thuis hard aan de slag om de kunsten van de professionals te evenaren. Voor anderen was het jongleren al bekend, zoals voor de leden van de jongleerlessen bij gymnastiekvereniging DOS hier in Udenhout”, vertelt de jonge organisator Martijn. “Ons streven was een publiek van 500 mensen, daar zitten we ruim overheen. Ik vind mijn afstudeerproject een geslaagd project geworden en kijk er positief op terug. Jong en oud hebben zich vermaakt en zelfs ik heb wat jongleerkunsten opgedaan.”
Bron/Foto’s: Juliet Brokken voor GymPOWER en Udenhout Centraal
Rik Steenstra turnt bij Talententeam TSH
28 February 2010

Tineke nam haar pupil ook mee naar een testtraining van het CIOS in Heerenveen. ‘Daar werd ook al snel ontdekt dat Rik veel talent heeft. Hij is sterk en kan zijn spieren goed spannen. Ringen en rek zijn z’n beste onderdelen. In Heerenveen vond men Rik eigenlijk nog te jong, de minimumleeftijd is acht jaar. Toch heeft hij een plaats gekregen in de jongensselectie, waar hij ruim zes uur per week traint.’
Een jeugdige turner begint op niveau 17, Rik heeft zich in een half jaar tijd al op weten te werken naar niveau 13. Iemand als Epke Zonderland is niveau 1′, voegt Tineke Rudolphie toe. Rik zit weer op de praatstoel als hij hoort dat de naam van zijn idiool valt: Epke Zonderland. ‘Ik heb hem pas geleden gezien in de kleedkamer. En we staan ook samen op de foto. Daarvan heb ik een kerstkaart gemaakt.’ Moeder Tanja gaat wekelijks met haar zoon naar Heerenveen. Ook thuis en bij de familie wordt er getraind. ‘Opa Anton heeft handstandblokken gemaakt, zelf wil ik thuis nog graag een trampoline, en oma heeft voor ringen gezorgd…’
Benne de Bakker: respect voor Jeffrey
14 February 2010

’s-GRAVENHAGE – In de Hofstad hebben ze de Stichting Topturnen Haaglanden & Westland, een samenwerkingsverband tussen gymnastiekverenigingen DOS Monster, CGV Die Haghe en Devona om de turnsport in de regio op topniveau te brengen. Hier komen de beste turners van die verenigingen bij elkaar om professionele trainingen te volgen. De 13-jarige Benne de Bakker is er één van. Twee jaar terug werd hij bv Nederlands kampioen meerkamp en vorig jaar won hij diverse medailles tijdens de NK-toestelfinales. Benne is lid van CGV Die Haghe maar traint dus bij STHW. Suzanne van de YourTurncommissie van CGV Die Haghe bezocht een training bij STHW en stelde de gedreven Haagse turner wat vragen over zijn geliefde sport.
Een leuk interview die een goed beeld geeft van zomaar één van de ambitieuze Nederlandse talenten van nu. Een uniek maar toch ook herkenbaar verhaal voor elke andere turner. “Ik heb niet echt een voorbeeld. Ik heb wel respect voor Jeffrey Wammes omdat hij een goede allrounder is. Ook had hij zijn enkels gebroken en hij trainde daarna net zo hard tot hij weer op zijn eigen niveau was.”














